Een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 onder g B.W.)

De verstoring van de arbeidsverhouding moet in beginsel ernstig en duurzaam zijn, hetgeen in de wet tot uitdrukking is gebracht door te eisen dat van de werkgever moet in redelijkheid niet kunnen worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (Memorie van Toelichting 33818, nr. 3, blz. 46).

De eis dat de arbeidsverhouding duurzaam verstoord moet zijn, zou in de praktijk wel eens kunnen betekenen dat de rechter in veel gevallen eist dat een poging tot herstel van het vertrouwen is ondernomen, bijvoorbeeld door middel van mediation.

De werkgever moet aannemelijk maken dat er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn.

Indien de verstoorde arbeidsverhouding bestaat met de eigenaar van de onderneming, zal zeker in een kleine onderneming van de mogelijkheid tot herplaatsing geen sprake zijn.

Ook hier geldt dat het bestaan van een redelijke grond terughoudend getoetst wordt en dat van een redelijke grond alleen dan geen sprake is als de werkgever niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen of als de werkgever ook zelf blaam treft. Met name dit laatste zou echter in geval van een verstoorde arbeidsverhouding in de weg kunnen staan aan het aannemen van een redelijke grond voor ontslag. Anderzijds zou ook kunnen worden betoogd dat ook een arbeidsverhouding die ernstig en duurzaam verstoord is moet eindigen ook als de werkgever ter zake van de verstoring van de arbeidsverhouding blaam treft. In de Memorie van Toelichting 33818, nr. 3, blz. 34 wordt als voorbeeld van toekenning van een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar gedrag het geval genoemd waarin de werkgever grovelijk de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst niet nakomt (bijvoorbeeld door zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig te veronachtzamen) en de arbeidsverhouding als gevolg daarvan verstoord raakt.