Procedure opzegging arbeidsovereenkomst

Ingangsdatum: 1 juli 2015

Indien het UWV toestemming geeft voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, is deze toestemming gedurende vier weken geldig (artikel 7:671a lid 6 B.W.). 

 De lengte van de opzegtermijn blijft ongewijzigd, maar de werkgever kan op die opzegtermijn de tijd in mindering brengen die is verstreken tussen het moment waarop het UWV de volledige ontslagaanvraag heeft ontvangen en de dag waarop de beslissing van het UWV is gedateerd, met dien verstande dat de opzegtermijn steeds tenminste een maand bedraagt (artikel 7:672 lid 4 B.W.). 

Na inachtneming van de (met de proceduretijd verkorte) opzegtermijn moet de werkgever nog rekening houden met de zogenaamde "aanzegtermijn” die inhoudt dat opzegging in beginsel plaatsvindt tegen het einde van de maand (artikel 7:672 lid 1 B.W.).

De werkgever die de arbeidsovereenkomst opzegt met inachtneming van een te korte opzegtermijn is aan de werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het loon over de periode dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou hebben voortgeduurd (artikel 7:672 lid 9 B.W.). De kantonrechter kan deze vergoeding matigen, maar niet tot minder dan het loon over drie maanden (artikel 7:672 lid 10 B.W.).

In het omgekeerde geval geldt hetzelfde voor de werknemer. Deze bepalingen zijn in overeenstemming met het huidige recht.

Hetzelfde geldt voor het geval de arbeidsovereenkomst eindigt door onverwijlde opzegging doordat de wederpartij daarvoor een dringende reden verschaft (artikel 7:677 leden 2, 3 en 5 B.W.) en voor het geval een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussentijds wordt opgezegd zonder dat de mogelijkheid voor tussentijdse opzegging bestond (artikel 7:677 lid 4 B.W.)

Over de te betalen vergoeding is wettelijke rente is verschuldigd vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 B.W.).

De opzegverboden wegens ziekte (art. 7:670 lid 1 B.W.), zwangerschap (art. 7:670 lid 2 B.W.) en dienstplicht (art. 7:670 lid 3 B.W.) en de opzegverboden die verbandhouden met de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging (art. 7:670 leden 4 en 10 B.W.) zijn niet van toepassing in geval van:

  • instemming van de werknemer met de opzegging (art. 7:670a lid 2 onder a B.W.);
  • opzegging tijdens de proeftijd (art. 7:670a lid 2 onder b B.W.);
  • ontslag op staande voet (art. 7:670a lid 2 onder c B.W.);
  • wegens de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming, behalve indien de werkneemster zwangerschaps- of bevallingsverlof geniet (art. 7:670a lid 2 onder d B.W.);
Anders dan onder de huidige wet is sluiting van het deel van de onderneming waarin de werknemer werkzaam is onvoldoende.
  • opzegging op of na de dag waarop de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt (art. 7:670a lid 2 onder e B.W.)
alles voor zover de opzegging geen verband houdt met de omstandigheden waarop de opzegverboden betrekking hebben.