Transitievergoeding bij seizoenarbeiders

Het feit dat voorgaande arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd meetellen bij het vaststellen van het recht op transitievergoeding en bij het berekenen van de hoogte van de transitievergoeding, kan er gemakkelijk toe leiden dat werkgevers die gebruik maken van seizoenarbeiders bij het einde van de arbeidsovereenkomst de transitievergoeding zijn verschuldigd. Dat is het geval als gedurende meerdere jaren gebruik gemaakt wordt van dezelfde werknemers, als de periode tussen twee arbeidsovereenkomsten niet langer is dan zes maanden en als de gezamenlijke arbeidsovereenkomsten (de tussenpozen niet meegerekend) tenminste 24 maanden hebben geduurd.

Aanvankelijk heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief aan de Tweede Kamer van 9 januari 2015 aangegeven dat het gaat om een bedoeld gevolg van de Wet werk en zekerheid. Er is volgens de Minister geen overgangsrecht getroffen omdat de transitievergoeding een nieuwe regeling betreft die mede bedoeld is om de grote verschillen tussen vaste en flexibele werknemers te verkleinen en niet om die te laten voortduren. Tijdens een algemeen overleg met de Minister op 11 februari 2015 heeft de Tweede Kamer zijn zorgen uitgesproken over het feit dat de onmiddellijke werking van de transitievergoeding er toe zal leiden dat aan seizoenarbeiders geen nieuwe arbeidsovereenkomst zal worden aangeboden. Naar aanleiding daarvan heeft de Minister op 24 februari 2015 in een brief aan de Tweede Kamer toegezegd om een reparatie van de (de facto) terugwerkende kracht van de wet op dit punt te zullen overwegen. Omdat de reparatie nog voor 1 juli 2015 dient te leiden tot wetswijziging heeft de Minister daarbij gekozen de noodzakelijke wijziging door te voeren middels een aanvulling van een reeds ingediend wetsvoorstel, de Wet aanpak schijnconstructies. Bij deze reparatie wordt alsnog overgangsrecht getroffen (artikel XXII lid 8 onder a Wet werk en zekerheid), in die zin dat voor het bepalen van het recht op en de hoogte van de transitievergoeding arbeidsovereenkomsten die vóór 1 juli 2012 zijn geëindigd en elkaar met een onderbreking van meer dan drie maanden hebben opgevolgd (of een kortere termijn, als die op grond van de CAO gold) niet worden meegeteld. Tijdelijke arbeidsovereenkomsten die elkaar na 1 juli 2012 met een periode van ten hoogste zes maanden opvolgen, tellen dus wel mee.

>Als opof na 1 juli 2015 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangegaan, worden voorafgaande arbeidsovereenkomsten die vóór die datum zijn geëindigd (en onderbroken zijn geweest met een periode langer dan drie maanden, of de termijn die op grond van de CAO, gold) niet meegeteld (artikel XXII lid 8 onder b Wet werk en zekerheid).

De werkgever zal (nog) geen transitievergoeding verschuldigd zijn als hij de werknemer de garantie heeft geboden dat hij binnen zes maanden na het eindigen van de arbeidsovereenkomst weer een nieuwe arbeidsovereenkomst krijgt (artikel 7:673 lid 1 onderdeel a onder 3 B.W.). Deze arbeidsovereenkomst dient daartoe wel tussentijds opzegbaar te zijn.

Dit alsnog te treffen overgangsrecht maakt onderdeel uit van de Wet aanpak schijnconstructies. De beoogde datum van inwerkingtreding van dit overgangsrecht is 1 juli 2015.

Om aan te sluiten bij het overgangsrecht voor de transitievergoeding wordt ook het overgangsrecht voor de ketenbepaling (artikel 7:668a BW) zodanig dat arbeidsovereenkomsten die elkaar hebben opgevolgd met een tussenpoos langer dan de op grond van de CAO geldende tussenpoos, geacht worden elkaar niet te hebben opgevolgd (artikel XXIIe Wet werk en zekerheid). Dit geldt zowel voor de situatie waarin op 1 juli 2015 geen CAO meer van toepassing is (lid 2), als voor de situatie nadat de uitzondering die in de CAO was opgenomen niet langer geldt (lid 3).

Zie verder: onder Tips & Thema's.