Ontslagprocedures

Ingangsdatum: 1 juli 2015

Maatregelen worden genomen om ontslagprocedures te bekorten.

Procedure bij UWV

In de Regeling UWV Ontslagprocedure (Staatscourant 2015, nr. 12688) zijn regels gesteld over de termijnen die zullen worden gehanteerd bij de procedure bij het UWV.

Daarbij gelden de volgende termijnen:
  • aanvulling ontslagaanvraag door werkgever met ontbrekende gegevens: acht dagen (artikel 3 Regeling UWV Ontslagprocedure);
  • verweer werknemer: veertien dagen (artikel 4 lid 1 Regeling UWV Ontslagprocedure)
  • indien tweede ronde: zienswijze werkgever: zeven dagen (artikel 4 lid 2 Regeling UWV Ontslagprocedure)
  • indien tweede ronde: zienswijze werknemer zeven dagen (artikel 4 lid 2 Regeling UWV Ontslagprocedure)
  • indien door UWV advies gevraagd aan een deskundige: zienswijze werkgever en werknemer zeven dagen (artikel 4 lid 2 Regeling UWV Ontslagprocedure)
  • indien het UWV werkgever of werknemer verzoekt aanvullende gegevens of stukken te verstrekken: voor werkgever of werknemer: verstrekking aanvullende gegevens of stukken binnen door het UWV te stellen termijn  (artikel 4 lid 5 Regeling UWV Ontslagprocedure)
  • indien het UWV werkgever of werknemer verzoekt aanvullende gegevens of stukken te verstrekken: reactie andere partij binnen door het UWV te stellen termijn  (artikel 4 lid 5 Regeling UWV Ontslagprocedure).

Uitstel is mogelijk in geval van bijzondere omstandigheden (artikel 4 lid 4 Regeling UWV Ontslagprocedure).

Ter besparing van de proceduretijd zal de rol van de Ontslagadviescommissie worden teruggedrongen door bij ministeriële beschikking te regelen dat deze alleen zal oordelen bij ingewikkelde gevallen. Daartoe is in artikel 6 Regeling UWV Ontslagprocedure bepaald dat het UWV de ontslagaanvraag kan voorleggen aan de Ontslagadviescommissie (maar dus niet hoeft te doen).

De proceduretijd bij het UWV komt in mindering op de opzegtermijn, met dien verstande dat een opzegtermijn van tenminste één maand dient te resteren (artikel 7:672 lid 4 B.W.) en dat vervolgens tegen het einde van de maand dient te worden opgezegd.

Nieuw is dat het UWV oordeelt over de toepasselijkheid van een opzegverbod en toestemming voor opzegging van de arbeidsovereenkomst weigert als een opzegverbod van toepassing is, tenzij redelijkerwijs verwacht mag worden dat het opzegverbod niet meer zal gelden binnen vier weken na de dag van beslissing op de ontslagaanvraag (artikel 7 Regeling UWV Ontslagprocedure).

Het UWV geeft op verzoek van de werkgever, dat dan tegelijk met de ontslagaanvraag moet worden ingediend, ook een oordeel over de vraag of de werkgever voldoet aan de voorwaarden voor het betalen van lagere transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673d lid 1 B.W. jo. artikel 24 lid 2 Ontslagregeling (artikel 8 Regeling UWV Ontslagprocedure). Ook de werknemer kan het UWV ten laatste in zijn verweer vragen om daarover te oordelen.

Procedure bij kantonrechter

Om te komen tot snellere ontslagprocedures bij de kantonrechter zullen meer procedures aanhangig worden gemaakt door een verzoekschrift in plaats van met behulp van een dagvaarding (artikel 7:686a lid 2 B.W.). Dit geldt voor de volgende procedures:

  • ontbinding van arbeidsovereenkomst door de kantonrechter (artikelen 7:671b en 7:671c B.W.);
  • vernietiging door de werknemer van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van schriftelijke instemming van de werknemer of schriftelijke toestemming van het UWV (artikel 7:681 B.W.);
  • herstel van de arbeidsovereenkomst nadat de werkgever heeft opgezegd met toestemming van het UWV (artikel 7:682 B.W.);
  • vordering tot vergoeding wegens het niet inachtnemen van de juiste opzegtermijn (onregelmatige opzegging) (artikel 7:686a lid 2 B.W. jo. artikel 7:672 lid 9 B.W.)
  • geschil over de hoogte van de ontslagvergoeding (de transitievergoeding of de billijke vergoeding in geval van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever of werknemer  (artikel 7:686a lid 2 B.W. jis artikelen 7:673-7:673c B.W.).
Overige vorderingen, zoals bijvoorbeeld loonvorderingen en vorderingen betreffende een concurrentiebeding, zullen in beginsel nog wel met een dagvaarding moeten worden ingeleid. Vorderingen die verband houden met het einde van de arbeidsovereenkomst zullen echter ook kunnen worden ingeleid met een verzoekschrift, zodat zij in één procedure kunnen worden beslist samen met bijvoorbeeld de procedure tot vernietiging van de opzegging of tot herstel van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:686a lid 3 B.W.). Bij de Tweede Kamer zal een wetsvoorstel worden ingediend dat het de rechter mogelijk maakt om vorderingen niet in samenhang te behandelen maar te splitsen.

In verzoekschriftprocedures geldt weliswaar in beginsel (tenzij de aard van de zaak zich daartegen verzet) hetzelfde bewijsrecht als in dagvaardingsprocedures (artikel 284 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), maar in ontbindingsprocedures wordt thans doorgaans geen getuigenbewijs toegestaan. De regering wijst echter in de Memorie van Toelichting op Aanbeveling 1.1 van de Kring van Kantonrechters waaruit blijkt dat uitzonderingen mogelijk zijn. De regering acht het in beginsel niet gewenst dat aan de mondelinge behandeling in een verzoekschriftprocedure schriftelijke wisseling van processtukken of getuigenbewijs vooraf gaat, maar een uitzondering kan volgens de rechter aan de orde zijn als bijvoorbeeld de vraag aan de orde is of sprake is van een terecht ontslag op staande voet.

Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen twee maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst, in het geval van een geschil over de hoogte van de transitievergoeding echter binnen drie maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst en bij een geschil over de vergoeding wegens het niet tijdig doen van aanzegging betreffende het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd binnen drie maanden nadat de verplichting tot betaling van die vergoeding is ontstaan (artikel 7:686a lid 4 B.W.).

Voor wat betreft de transitievergoeding houdt verband met het feit dat de transitievergoeding doorgaans pas wordt betaald met de eindafrekening van de arbeidsovereenkomst in de maand na de maand waarin de arbeidsovereenkomst eindigt.

De termijnen van twee respectievelijk drie maanden betreffen vervaltermijnen en geen verjaringstermijnen, hetgeen betekent dat de werknemer de termijnen niet kan verlengen door de verjaring te "stuiten” en dat de rechter de termijnen ambtshalve in aanmerking neemt, dus ook als de werkgever daarop geen beroep zou doen.

De behandeling van het verzoekschrift zal binnen vier weken na indiening aanvangen (artikel 7:686a lid 5 B.W.).

De bepaling in de huidige wet dat de rechter de partij die ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de gelegenheid stelt om zijn verzoek in te trekken als hij voornemens is om aan de ontbinding een vergoeding te ontbinden, blijft bestaan (artikel 7:786a lid 6 B.W.).