Beëindiging met wederzijds goedvinden

Ingangsdatum: 1 juli 2015

De overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet voortaan schriftelijk worden vastgelegd om rechtsgeldig te zijn (artikel 7:670b lid 1 B.W.). 

Ook in dit geval heeft de werknemer een bedenktijd van twee weken waarbinnen hij de overeenkomst zonder opgaaf van redenen kan ontbinden middels een schriftelijke verklaring aan de werkgever (artikel 7:670b lid 2 B.W.). Deze bedenktijd dient in de overeenkomst te worden opgenomen, bij gebreke waarvan de bedenktijd drie weken bedraagt. Heeft de werknemer gebruik gemaakt van zijn recht tot ontbinding, dan geldt het recht tot ontbinding niet opnieuw indien de werknemer binnen zes maanden daarna een schriftelijke overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst sluiten. Hetzelfde geldt voor het geval de werknemer zijn instemming met de opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft herroepen. Ook dan kan de werknemer binnen zes maanden na die herroeping de overeenkomst niet ontbinden (artikel 7:670b lid 4 B.W.).

De bedenktijd geldt niet ten aanzien van de bestuurder van een rechtspersoon waarbij herstel van de dienstbetrekking onmogelijk is (dat wil zeggen: bestuurders van een N.V., B.V. vereniging, onderlinge waarborgmaatschappij of coöperatie maar niet van een stichting) en bestuurders van een vergelijkbare buitenlandse rechtspersoon (artikel 7:670b lid 5 B.W.).

De bedenktijd geldt ook niet als de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd na een ten overstaan van de rechter getroffen schikking, waarbij het einde van de arbeidsovereenkomst doorgaans in de beschikking van de rechter wordt opgenomen en in de beëindigingsovereenkomst nog de "losse eindjes” (zoals vakantietoeslag, vakantiedagen, bonus, kwijting e.d.) worden geregeld (Memorie van Toelichting, wetsontwerp 33818, nummer 3, bladzijde 103).