Proeftijd

Ingangsdatum: 1 januari 2015

Wijzigingen proeftijd

Om de inzet van kortdurende contracten en de daaraan verbonden onzekerheid voor de werknemer terug te dringen, zal het niet langer mogelijk zijn om in contracten van voor de duur van zes maanden of korter een proeftijdbeding op te nemen (artikel 7:652 lid 4 B.W.). Voor de duur van de proeftijd geldt daardoor, afhankelijk van de duur van de arbeidsovereenkomst:
  • geen proeftijd bij een arbeidsovereenkomst van zes maanden of korter;
  • een proeftijd van een maand bij een arbeidsovereenkomst die langer duurt dan zes maanden maar korter dan twee jaar of bij een arbeidsovereenkomst waarvan het einde niet op een kalenderdatum is gesteld;
  • een proeftijd van twee maanden bij een arbeidsovereenkomst die van twee jaar of langer of bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Bij CAO kan worden bepaald dat de proeftijd die op grond van het bovenstaande maximaal een maand kan bedragen, maximaal twee maanden kan bedragen.

Het is dus niet mogelijk om bij CAO te bepalen dat bij een arbeidsovereenkomst van zes maanden of korter toch een proeftijd geldt.

Verder wordt bestaande jurisprudentie in wetgeving omgezet met betrekking tot:
  • de mogelijkheid om een proeftijd op te nemen in een opvolgende arbeidsovereenkomst: daarvoor is vereist dat die opvolgende arbeidsovereenkomst duidelijk andere vaardigheden of verantwoordelijkheden van de werknemer vereist dan de vorige arbeidsovereenkomst (artikel 7:652 lid 8 onder d B.W.);
  • de vraag wanneer werkgevers ten aanzien van de mogelijkheid om nog een proeftijd te bedingen geacht worden elkaars opvolger te zijn, hetgeen betekent dat een werkgever geen proeftijd meer kan bedingen als arbeidsovereenkomst (artikel 7:652 lid 8 onder e B.W.):
  1. de nieuwe overeenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige overeenkomst; en
  2. tussen de oude en de nieuwe werkgever zodanige banden bestaan dat het door die eerste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in redelijkheid aan die laatste kan worden toegerekend.

Overgangsrecht proeftijd

Op proeftijdbedingen in arbeidsovereenkomsten die reeds zijn tot stand gekomen vóór het tijdstip van inwerkingtreden van de wet (1 januari 2015) blijft de oude wet van toepassing (artikel XXIIb lid 1).

Onder het totstandkomen van een arbeidsovereenkomst moet blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken 33818, nr. 3, bladzijde 127) worden begrepen het aangaan van de arbeidsovereenkomst zodat op het proeftijdbeding dat vóór 1 januari 2015 is getekend nog het oude recht van toepassing is. Bepalend is het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten (Memorie van Antwoord, 33818, nummer C bladzijde 53).

Indien vóór 1 januari 2015 op grond van de bepaling van artikel 7:652 lid 6 B.W. bij CAO was afgeweken van de wet, aldus dat een proeftijd kon worden overeengekomen voor de duur van twee maanden in gevallen waarin de wet maar een proeftijd van een maand toestond (duur van arbeidsovereenkomst korter dan twee jaar of voor de duur van een bepaald project of een bepaald werk o.i.d.), blijft de oude wet nog van toepassing op die CAO en op de daarop gebaseerde arbeidsovereenkomsten gedurende de looptijd van de CAO maar maximaal tot 1 juli 2016 (art. XXIIb lid 2).

Het blijven gelden van het oude recht betekent dan dat tijdelijk ook nog een proeftijd van twee maanden kan gelden als onder de huidige wet geen proeftijd zou zijn toegestaan (duur van arbeidsovereenkomst van zes maanden of korter). De proeftijd moet dan wel zijn geëindigd uiterlijk op de dag waarop de looptijd van de CAO eindigt en uiterlijk op 1 juli 2016, omdat daarna de nieuwe wet van toepassing is hetgeen betekent dat de werknemer het proeftijdbeding kan vernietigen.