Internationale aspecten

De regering is van mening dat de ketenbepaling van artikel 7:668a B.W. in overeenstemming is met Richtlijn 1999/70/EG betreffende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Deze richtlijn schrijft een aantal maatregelen voor waarvan lidstaten van de Europese Unie er ten minste één in wetgeving moeten omzetten om te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om een reeks van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan. Zo schrijft de richtlijn voor dat moet worden geregeld wat de toegestane maximale duur van dergelijke arbeidsovereenkomsten is die mogen worden overeengekomen of dat er objectieve redenen moeten zijn om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te verlengen. De ketenbepaling van artikel 7:668a B.W. voorziet in zowel een maximale duur van verlengde arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd als in een maximum aantal arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Bovendien wordt voor afwijking bij CAO een objectieve rechtvaardiging vereist. Daarmee meent de regering te voldoen aan de eisen van de Richtlijn.

Het Hof van Justitie EG heeft echter in inmiddels drie arresten (van 4 juli 2006, C-212/04  in de zaak Adeneler c.s./ELOG, van 23 april 2009, C-378/07 t/m C-380/07 in de zaak Angelidaki en van 10 maart 2011, C-109/09 in de zaak Lufthansa/Kumpan) een veel ruimere uitleg aan deze Richtlijn gegeven dan de tekst van de Richtlijn kan doen vermoeden. Volgens het Hof is vereist dat de nationale wet bepaalt dat het herhaalde gebruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gerechtvaardigd wordt door concrete elementen die verband houden met "de betrokken activiteit en de uitoefeningsvoorwaarden ervan”. Het Hof is van mening dat het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in beginsel misbruik oplevert als die arbeidsovereenkomsten gesloten zijn om in permanente en blijvende behoeften van werkgevers te voorzien. Het Hof is verder van mening dat een wettelijke bepaling die voor toegelaten herhaald gebruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd slechts een onderbreking van een aantal werkdagen vereist misbruik oplevert, omdat werknemers meestal geen andere keus hebben dan de onderbreking te aanvaarden. De regering gaat aan deze jurisprudentie voorbij en legt niet uit waarom de gewijzigde bepaling van artikel 7:668a B.W. ook voldoet aan de Richtlijn zoals die door het Hof wordt uitgelegd.