Aanzegging

Ingangsdatum: 1 januari 2015

Wijzigingen aanzegging

Om werknemers met een tijdelijk contract tijdig duidelijkheid te bieden of dit contract zal worden verlengd, worden werkgevers verplicht om bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die zes maanden (artikel 7:668 lid 2 B.W.) of langer duren uiterlijk een maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst een schriftelijke aanzegging aan de werknemer te doen waaruit blijkt of de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de overeengekomen duur wel of niet zal worden voortgezet, en in geval van voortzetting onder welke omstandigheden dat zal kunnen gebeuren (artikel 7:668 lid 1 B.W.).

Let op: de verplichting tot aanzegging geldt ook als de werkgever de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wel verlengt.

Indien de werkgever deze verplichting niet (tijdig) nakomt is hij aan de werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het loon over de periode waarin de werkgever te laat is met de melding (artikel 7:668 lid 3 B.W.). De bevoegdheid om deze vergoeding te vorderen vervalt na drie maanden (artikel 7:686a lid 4 onder e B.W.).

In het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding (Staatsblad 2014, nummer 538), nader uitgewerkt in de Regeling looncomponenten en arbeidsduur (Staatscourant 22 december 2014, nummer 36823 ) is geregeld wat dient te worden verstaan onder het "loon" waarnaar de aanzegvergoeding moet worden berekend. Het gaat dan om het bruto uurloon vermenigvuldigd met de overeengekomen arbeidsduur per maand. Indien geen arbeidsduur is overeengekomen of sprake is van een wisselende arbeidsduur wordt het bruto uurloon vermenigvuldigd met het gemiddelde aantal gewerkte uren per maand in de laatste twaalf maanden voorafgaand aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigt of, als de arbeidsovereenkomst geen twaalf maanden heeft geduurd, gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst (artikel 2 Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding). Tot het loon behoren ook provisie en bestanddelen van het loon die afhankelijk zijn van de uitkomsten van de verrichte arbeid, welke over dezelfde periode worden berekend. Voor de berekening van de gemiddelde arbeidsduur worden periodes van verlof, staking of ziekte buiten aanmerking gelaten. Indien dit tot gevolg heeft dat een periode van een maand of langer niet in aanmerking wordt genomen, wordt voor de berekening van de gemiddelde arbeidsduur de periode van twaalf maanden verlengd met de periode die aldus niet in aanmerking wordt genomen (naar beneden afgerond op hele maanden) door maanden die direct voorafgaand aan de periode waarover de gemiddelde arbeidsduur wordt berekend mee te tellen (artikel 2 Regeling looncomponenten en arbeidsduur). Hetzelfde geldt voor de berekening van de hoogte van provisie en stukloon (artikel 3 Regeling looncomponenten en arbeidsduur).

De verplichting tot aanzegging van het eindigen van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geldt niet ten aanzien van de arbeidsovereenkomst die voor de duur van een bepaald werk  is aangegaan en niet op een vaste kalenderdatum eindigt (artikel 7:668 lid 2 onder a B.W.) en gedurende de eerste 26 weken (of in geval van afwijking bij CAO: maximaal gedurende 78 weken) niet ten aanzien van uitzendovereenkomsten waarin een uitzendbeding is opgenomen (artikel 7:691 lid 2 B.W.).

Het is mogelijk om de aanzegging ter zake van het eindigen van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd reeds op voorhand te doen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst om aan bijvoorbeeld in de arbeidsovereenkomst zelf (Nota naar aanleiding van het verslag, wetsontwerp 33818, nr. 7, blz. 35).

De vraag is echter of het verstandig is dat te doen. Veel werkgevers zullen op voorhand nog niet besloten hebben dat zij de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na het verstrijken van de overeengekomen duur inderdaad zullen willen beëindigen. Als het in de praktijk zo is dat de werknemer drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd heeft gehad waarin ook steeds een aanzegging op voorhand is opgenomen, zal de werknemer een goede kans hebben zich te verzetten tegen de rechtsgeldigheid van de aanzegging in de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, als de arbeidsverhouding aan het einde van de eerste twee arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd is voortgezet ondanks de aanzegging dat die arbeidsovereenkomsten zouden eindigen maar aan het einde van de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt beëindigd. De werknemer zou dan met enig recht van spreken kunnen aanvoeren dat aan de aanzegging van de werkgever in de arbeidsovereenkomst kennelijk geen waarde kan worden toegekend. Wij bevelen dan ook aan om de aanzegging op voorhand te reserveren voor die gevallen waarin het ook werkelijk de bedoeling is om de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de overeengekomen duur niet voort te zetten.
 

Overgangsrecht aanzegging

De verplichting tot aanzegging gaat pas gelden voor arbeidsovereenkomsten die eindigen nadat een maand na de inwerkingtreding van de wet is verstreken (dus op arbeidsovereenkomsten die eindigen op en na 1 februari 2015), zodat pas aangezegd behoeft te gaan worden zodra de wet in werking treedt (artikel XXIII lid 3).